Ruiken is weten

Ruiken is weten

Caro Verbeek is kunsthistoricus en gespecialiseerd in geurgeschiedenis. In haar onderzoek en onderwijs brengt ze geuren uit het verleden opnieuw tot leven, van museumzalen tot in historische teksten, en pleit ze voor een serieuzere plaats van de neus in hoe we de wereld begrijpen. Ik sprak haar over geur als kennisbron en historische bron; een gesprek dat me geregeld verraste.

Geur als kennisbron
Caro Verbeek geeft de neus haar waardigheid terug; wie haar Een kleine cultuurgeschiedenis van de (grote) neus leest, ontdekt hoezeer geur met komen en gaan door de tijd heen een volwaardige manier van kennen was. Het is opmerkelijk dat geur in de academische wereld zelden als kennisbron geldt, terwijl Verbeek juist doceert over analytisch ruiken: bewust en systematisch ruiken. We onderwaarderen de neus, terwijl geur ons iets vertelt over sociale banden, emoties en zelfs klimaat. Geur beïnvloedt bovendien de keuzes die wij maken. Onze levenspartner kiezen wij om zijn of haar geur. Daarmee is geur meer dan herinnering of emotie; het is ook informatie. Iets wat we vaak met dieren associëren, maar wat bij mensen nauwelijks serieus wordt genomen. Zo blijft geur een opvallend onderbelicht perspectief, en missen we kennis doordat we geur uitsluiten.

Dankzij de geur van geliefden

Historische bron
De urgentie, pijn en het lijden van oorlogen zouden direct duidelijker zijn als we in geschiedenisboeken ook geur zouden toelaten. Veteranen uit de Eerste Wereldoorlog spraken steevast over de geur van het slagveld. Klein maar intens geluk kenden soldaten wanneer geliefden hun geur opstuurden, bijvoorbeeld in haarlokken of geparfumeerde brieven.

In archieven zijn, al sinds mensen schrijven, talloze verwijzingen te vinden die met geur te maken hebben. Verbeek laat haar studenten onderwerpen daarom ook letterlijk ‘ruiken’ om te begrijpen waar het over gaat. Volgens haar kan geur een historische sensatie oproepen: door te ruiken wordt het verleden minder abstract en bijna tastbaar. Daarin schuilt ook een historische complexiteit. Tegenwoordig associëren wij lavendel vooral met rust en ontspanning, terwijl de geur in eerdere tijden juist sterk verbonden was met reiniging, verzorging en lichamelijke activiteit. In de oudheid gebruikte men lavendel bijvoorbeeld in de badcultuur en bij het reinigen van het lichaam, maar ook om textiel fris te houden en insecten te weren. Ook het denken over geur zelf veranderde. Eeuwenlang gold stank als gevaarlijk; ziekten zouden ontstaan door bedorven lucht, het zogeheten miasma. Met Louis Pasteur verschoof dat inzicht. Niet de geur zelf, maar ziektekiemen bleken de oorzaak, al bleef stank wel een teken van slechte hygiëne.

Christelijke geuren
Waar Verbeek mij werkelijk over deed verbazen, is dat de Bijbel een schoolvoorbeeld blijkt te zijn van de waarde en betekenis van geur. Niets is toevallig. In de oudheid en het vroege christendom werden geuren gezien als een vorm van communicatie met God. In bijbelteksten zijn daar duidelijke aanwijzingen voor. Na de zondvloed brengt Noach een reukoffer als dank; in Genesis 8:21 staat zelfs dat God ‘de aangename geur’ van het offer ruikt. Ook in het Nieuwe Testament krijgt geur een geestelijke betekenis. Paulus schrijft in 2 Korintiërs 2:14 over de ‘geur van de kennis van God’ die zich verspreidt. Geur is daar niet alleen beeldspraak, maar iets dat laat zien hoe Gods aanwezigheid werd gedacht: tastbaar, verspreidend en dichtbij.

Het ideaal van aan neutrale geur

Wanneer Jakob zich voordoet als Ezau, wordt de blinde Isaak niet overtuigd op basis van wat hij hoort, maar van wat hij ruikt: de geur van de kleding wordt beslissend. Geur fungeert hier als teken van identiteit en zegen.

Geuren van nu
Geen enkele periode in onze geschiedenis was geurarm; wat als belangrijk wordt gezien verschuift alleen door de tijd. In de moderne tijd is het gebruikelijk geworden om lichaamsgeur te maskeren of te neutraliseren, waarbij met name van vrouwen wordt verwacht dat zij ‘goed ruiken’. Dat ideaal van een neutrale geur ontstond rond het begin van de twintigste eeuw en hangt samen met commerciële invloed en een groeiende schaamte rond lichaamsgeur.

We zien dat nog altijd terug in producten als bodymist, bijvoorbeeld bij HEMA, die vooral bedoeld zijn om elkaar niet meer te hoeven ruiken. Het past in een bredere Nederlandse geurcultuur van neutraliteit. Verbeek constateert dat we daarmee geuren onderdrukken, terwijl geur in liefde en vriendschap juist een veel grotere rol speelt dan we erkennen. In die onderdrukking schuilt misschien wel het verhaal van onze tijd.

Observaties
Toch kost het Verbeek niet veel moeite om het belang van geur duidelijk te maken. Haar lezingen gaan gepaard met, hoe kan het ook anders, geur. Mensen herkennen en erkennen het belang ervan direct, denk bijvoorbeeld aan de geur na een regenbui op een warme dag. Op straat ruik je bovendien vaak wat er om de hoek te vinden is: voedsel, herkenning of juist gevaar. Geur is daarmee directe informatie over de wereld om ons heen.

Mensen die dicht bij ons staan hebben een geur die vertrouwen kan oproepen, en ook publieke ruimtes dragen vaak een eigen geurprofiel. Voor mensen met dementie kan geurherkenning zelfs sterker werken dan muziek, al is het ontwikkelen van zulke toepassingen complexer dan bij geluid. Er is geen Top 40 van geuren. In geur ontstaat zo een stille vorm van gemeenschap: mensen herkennen elkaar en hun omgeving niet alleen door wat ze zien, maar door wat ze samen inademen. Ook seizoenen hebben hun eigen geurassociaties. Zo wordt geur opnieuw een bron van informatie over de wereld waarin we leven.

Optimisme
Ik was benieuwd hoe Verbeek de toekomst ziet. Ze is zich ervan bewust dat ze een kind van haar tijd is en dat het lastig blijft om buiten de bubbel van het heden te denken, maar toch waagt ze zich aan een voorspelling. Geuren van steden veranderen al eeuwen, en eerdere energietransities hebben al veel betekend voor wat de neus waarneemt. Mogelijk geldt dat ook voor de komende transities, misschien zelfs ten goede. Wanneer steden zich daar proactief op voorbereiden, zou het kunnen dat we over vijftig jaar meer planten ruiken en dat gebouwen bewuster worden ontworpen met geurbeleving in gedachten. Er bestaat bovendien een reële kans dat geur opnieuw wordt erkend als kennisbron. In de medische wetenschap en de criminologie zijn daar al duidelijke aanwijzingen voor.

Misschien is dat wel de grootste verschuiving die Verbeek laat zien: dat geur niet iets is dat we moeten herwaarderen uit nostalgie, maar iets dat we opnieuw kunnen leren lezen als bron van kennis over de wereld. Niet alleen als herinnering of beleving, maar als manier om te begrijpen waar we zijn en met wie we die ruimte delen. Als dat klopt, dan is de neus geen bijzaak in onze waarneming, maar een beginpunt. En wie weet is de toekomst niet geurloos of geurarm, maar simpelweg weer beter te ruiken.

Dit verhaal verscheen eerder in Mondig 3

Tekst: Björn Pels
Beeld: Fjodor Buis